Wil je een werkwoord kunnen vervoegen? Dan moet je weten hoe je de werkwoordstam maakt. Die vind je in principe door ‘en’ van het hele werkwoord af te halen. Het woord dat je dan overhoudt is, juist… de stam. Ik zeg in principe omdat er allerlei verschillende soorten werkwoorden zijn. Zoals er verschillende soorten werkwoorden bestaan, zo zijn er ook meerdere manieren om de stam van een werkwoord te achterhalen. Deze manieren worden de stamregels genoemd. Ik heb er vijf voor je bij elkaar gezet.
1. Het werkwoord verandert niet
Wanneer je ‘en’ van het werkwoord afhaalt, dan houd je de stam over. Voorbeelden: kijken (hele werkwoord), kijk (stam). drinken (hele werkwoord), drink (stam) of houden (hele werkwoord), houd (stam).
2. Het werkwoord verandert
Sommige werkwoorden hebben een lange klinker. Een wat? Een lange klinker. Om deze lang te houden, krijgt het werkwoord een extra klinker. Voorbeelden: lopen (hele werkwoord), haal je alleen ‘en’ eraf dan krijg je lop. Dit woord heeft een lange klinker en krijgt dus een extra klinker zodat de stam loop wordt. Nog meer voorbeelden: eten (hele werkwoord), eet (stam), koken (hele werkwoord), kook (stam), .
3. Werkwoorden met dubbele medeklinkers
Sommige werkwoorden hebben dubbele medeklinkers. Bij het zoeken naar de stam halen we er één medeklinker af. De stam heeft namelijk eigenlijk twee medeklinkers, maar daar haal je een medeklinker af om tot de juiste stam te komen. Zou je bij likken alleen ‘en’ eraf halen, dan krijg je als stam ‘likk’. Je haalt dus de tweede ‘k’ eraf om de juiste stam te krijgen: lik. Andere voorbeelden zijn: mokken (hele werkwoord), mok (stam), rennen (hele werkwoord), ren (stam), stappen (hele werkwoord), stap (stam).
Regel 4: Werkwoorden waarbij de f verandert in de v en de s in de z
Wanneer de ruwe stam eindigt op een ‘v’ of een ‘z’ dan veranderen deze bij het zoeken naar de stam in een ‘f’ of een ‘s’. Voorbeelden zijn: verhuizen (hele werkwoord), verhuis (stam), reizen (hele werkwoord), reis (stam), durven (hele werkwoord), durf (stam).
Het kan voorkomen dat de stam een klinker heeft, ook wel een korte klinker genoemd. Maar wanneer de ‘v’ en ‘z’ moeten veranderen, wil je een lange klinker houden. Dat doe je door een extra klinker toe te voegen. Voorbeelden zijn: razen (hele werkwoord), raas (stam).
Regel 5: Werkwoorden met een trema aan het eind
Om het rijtje compleet te maken, sluit ik af met werkwoorden die eindigen op een trema. Het lastige aan dit soort werkwoorden is dat je er de ene keer alleen een ‘n’ afhaalt, een andere keer ‘ën’. Haal je alleen de ‘n’ weg, dan blijft de ‘e’ over zonder trema. Haal je ‘ën’ (dus met trema) van het werkwoord af, dan blijft de ‘e’ staan, zonder trema. Het trema vervalt, de ‘e’ blijft staan.
Verwarrend? Hopelijk maken deze voorbeelden het iets duidelijker: ruziën (volledig werkwoord), haal je alleen de n weg, dan blijft de ‘e’ staan zonder trema en is de stam (ik) ‘ruzie’. Een voorbeeld van ‘ën’ (met trema) weghalen is skiën, de stam is (ik) ski.
Geef een antwoord